Historie - Citaat Dr. L. de Jong

Uit: Dr. L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 8 (1ste helft) –Gevangenen en Gedeporteerden , 1978

In de laatste maanden van ’42 en de eerste van ’43 hadden onderhandelingen over uitwisselingen betrekking op Johan Stijkel en achtendertig leden van zijn spionagegroep die begin ’41 gearresteerd waren en wier proces, zoals wij (red. Dr. L. de Jong) in de vorige paragraaf vermeldden, niet voor een Duitse rechtbank in Nederland maar voor het Reichskriegsgericht te Berlijn plaatsvond. Dat laatste gebeurde in september ’42; er werden toen negenendertig doodvonnissen geveld (zeven leden van de Stijkelgroep, onder wie enkele vrouwen, werden tot tuchthuisvonnissen veroordeeld).

Stijkel en de zijnen zaten sinds juni ’42 in de gevangenis van de Berlijnse voorstad Tegel opgesloten waar de protestantse gevangenispredikant, Harald Poelchau, een religieus-socialist, hun van harte toegedaan was. ‘De houding van de Nederlanders’, schreef Poelchau na de oorlog, ‘was voorbeeldig. Hoe langer de gevangenschap duurde, des te meer innerlijk aaneengesloten de groep werd. Mij trof de merkwaardige vemenging van sterk conservatieve vroomheid en nationalisme …. Daarboven toonden de Nederlanders een krachtige liefde voor hun geboorteland en voor hun koningin, die zij vereerden. Door hun harde lot was in hen een krachtig religieus bewustzijn ontwaakt.’

Dat Poelchau dat alles goed had gezien, bleek begin juni ’43 toen, nadat de uitwisselingspogingen mislukt waren (Millenaar kreeg via een Nederlandse tussenpersoon uit Stockholm te horen: ‘Ze hebben (in Londen) alles geprobeerd, maar er zijn geen ruilobjecten’) tweëendertig doodvonnissen door Hitler bekrachtigd werden (hij verleende in zeven gevallen gratie). Op de 4de juni werd aan Stijkel en aan eenendertig metgezellen ‘s morgens om 4 uur meegedeeld dat zij om 8 uur gefusilleerd zouden worden. ‘Er was’, aldus Poelchau, ‘niemand onder hen die zich liet gaan. Allen hoorden de mededeling rustig aan. Zij liepen op elkaar toe, omarmden elkaar en namen afscheid van elkaar en de achterblijvende kameraden. Daarna schreven zij hun afscheidsbrief en gaf ik elk van hen nog een stuk papier met een geheime opdracht, een tweede afscheidsbrief te schrijven die niet via de censuur zou gaan en die ik persoonlijk aan het einde van de oorlog naar Nederland zou brengen. Hetzelfde deed de katholieke geestelijke, pastoor Kreutzberg, die voor de drie roomskatholieken uit de groep aanwezig was.’

Een uur later, wellicht omstreeks 6 uur, verzamelde ds. Poelchau alle te executeren leden van de Stijkelgroep in de kerkruimte van de gevangenis om voor de laatste keer het Avondmaal met hen te vieren. Eén lid, H. Stoppendaal, wilde daarbij het orgel bespelen maar kon dat niet toegestaan worden omdat nagenoeg alle andere gevangenen nog sliepen. Diep ontroerd leidde Poelchau de dienst. Na afloop werden de tweeëndertig in één gevangenisauto gepropt (een auto met verschillende cellen erin) en ‘de laatste tocht, die daarop plaatsvond, ongeveer een half uur lang, was’, schreef Poelchau (die meegereden had), ‘niet een tocht vol geween en gejammer, maar van een getroost huiswaarts gaan.’ Verscheidene coupletten van het Wilhelmus werden gezonden (het zesde en zevende maakten op Poelchau de diepste indruk). Op de plaats van de executie aangekomen, moesten de tweeëndertig mannen uitstappen. Zij werden niet tezamen of in groepen gefusilleerd, maar (een zinloze wreedheid, dunkt ons) de een na de ander, de eerste om 8 uur ’s morgens, de laatste pas twee volle uren later: om 10 uur. ‘Bijna allen verzochten niet geblinddoekt te worden. Ik begeleidde ‘ aldus Poelchau, ‘ieder tot het laatste, voor zover zij protestants waren, de katholieke geestelijke begeleidde de rooms-katholieken. Geen klacht kwam over hun lippen, ook geen woord van haat of verbittering.’

« terug naar historie